beginselen:economische_realiteit
Differences
This shows you the differences between two versions of the page.
| Both sides previous revisionPrevious revisionNext revision | Previous revision | ||
| beginselen:economische_realiteit [2021/08/04 16:06] – avdoesum | beginselen:economische_realiteit [2025/06/03 15:24] (current) – [1.Aantekeningen] avdoesum | ||
|---|---|---|---|
| Line 8: | Line 8: | ||
| ====1. Aantekeningen==== | ====1. Aantekeningen==== | ||
| + | |||
| + | * 3 juni 2025 - Verzameling aantekeningen Economische realiteit tbv EC Tax Review \\ Re: UP Caffe - ‘economische feiten’ | ||
| + | Interessant, | ||
| + | Overigens: de thematiek van ons artikel (relevantie eco realiteit) komt eigenlijk voort uit de omstandigheid dat het recht per definitie onvolmaakt is, in die zin dat niet elke situatie precies en uitputtend geregeld kan worden in het positieve recht (wet-en regelgeving). Er is dus altijd een noodzaak om a) relevante feiten te kiezen, b) relevante regels te kiezen, en c) de regels op de feiten toe te passen. Als rechter (maar ook belplichtige) moet je dus op zoek. | ||
| + | Groet! | ||
| + | Frank | ||
| + | Hoi Frank, | ||
| ---- | ---- | ||
| - | ====2. Regelgeving==== | + | Voor ons artikeltje: conclusie van AG in UP Caffee: |
| + | |||
| + | b) Beoordeling van de feiten versus uitlegging van een rechtsnorm | ||
| + | |||
| + | 33. Volgens het Hof kan het beginsel van het verbod van misbruik ook worden tegengeworpen aan een belastingplichtige indien de nationale wet geen bepalingen bevat om in geval van fraude of misbruik voordelen uit rechten uit hoofde van de btw-richtlijn te weigeren.(9) | ||
| + | |||
| + | 34. Het Hof baseert zijn redenering onder meer op het feit dat de weigering om in geval van fraude of misbruik te profiteren van de uit de btw-richtlijn voortvloeiende voordelen als inherent aan het gemeenschappelijke btw-stelsel moet worden gezien.(10) In het bijzonder zijn in een dergelijk geval de objectieve voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het gewenste voordeel te verkrijgen in werkelijkheid niet vervuld.(11) | ||
| + | |||
| + | 1) Onproblematisch: | ||
| + | |||
| + | 35. Bij het bepalen van de relevante feiten moet de handeling worden beoordeeld zoals de partijen deze feitelijk hebben bedoeld, dat wil zeggen op basis van de feitelijke economische omstandigheden. Niet de gekozen civielrechtelijke regeling, dat wil zeggen de „externe rechtsvorm” van de handeling is beslissend, maar de economische bedoeling van de partijen, gelet op het geheel van de omstandigheden. Dit is echter geen kwestie van de uitlegging van het Unierecht (of van het nationale recht), maar van de beoordeling van de feiten. | ||
| + | |||
| + | 36. In het kader van de procedure van artikel 267 VWEU, die op een duidelijke afbakening van de taken van de nationale rechterlijke instanties en van het Hof berust, is de nationale rechter bij uitsluiting bevoegd om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen en het nationale recht uit te leggen en toe te passen.(12) Het Hof kan ter zake hoogstens aanwijzingen geven. Indien de verwijzende rechter tot de conclusie komt dat de oprichting van verzoekster slechts juridisch fictief was om het bedrijf van de vorige vennootschap economisch voort te zetten, kan hij bijvoorbeeld in het kader van een economische benadering voorbijgaan aan de „externe rechtsvorm” en uitgaan van de juiste, economisch daadwerkelijk bedoelde feiten. | ||
| + | |||
| + | 37. Dit volgt reeds uit het feit dat het belastingrecht uiteindelijk beoogt economische situaties gelijk te belasten. Om die reden moet eerst de economische inhoud van de feiten juist worden begrepen. Een constructie die deze economische inhoud kunstmatig probeert te omzeilen of te verbergen door middel van de vrijheid van organisatie onder het burgerlijk recht, kan de werkelijke onderliggende feiten niet veranderen. Gelet op het beginsel van gelijke belastingheffing moeten economisch vergelijkbare situaties (ongeacht hun civielrechtelijke constructie) op dezelfde wijze worden belast. Een dergelijke beoordeling van de feiten kan op basis van het door de Commissie aangehaalde artikel 11 van de Opći porezni zakon in casu zelfs denkbaar zijn. Deze bepaling lijkt immers te vereisen dat de fiscale situatie wordt bepaald aan de hand van de economische inhoud ervan. | ||
| ---- | ---- | ||
| - | ====3. Jurisprudentie==== | + | , Ch. P. A., 1965, Fiscale Rechtsvinding (diss.), Amsterdam: NV Uitgeverij FED, pp. 151-153; |
| - | * [[https:// | + | Heber, C., Sternberg, C., Legal Interpretation |
| - | Deutsche bank \\ | + | |
| - | **45.** Lastly, it must be stated that that conclusion is not called into question by the principle | + | |
| + | ---- | ||
| + | |||
| + | https:// | ||
| + | |||
| + | ---- | ||
| + | |||
| + | Fenix: | ||
| + | 77. De gegevens die krachtens artikel 226, punten 5 en 6, van de btw-richtlijn op de factuur – te weten een document met betrekking tot hetwelk iedere belastingplichtige overeenkomstig artikel 220, punt 1, van deze richtlijn ervoor moet zorgen dat het naar behoren is uitgereikt voor elke dienst die hij met name heeft verricht voor een andere belastingplichtige (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Evita-K, C 78/12, EU: | ||
| + | |||
| + | |||
| + | |||
| + | |||
| + | ---- | ||
| + | |||
| + | ====2. Regelgeving==== | ||
| + | |||
| + | ---- | ||
| + | |||
| + | ====3. Jurisprudentie==== | ||
| [[https:// | [[https:// | ||
| Line 44: | Line 82: | ||
| * Conclusie A-G Scharpston van 14 juni 2007, nr. C-355/06 (Van der Steen), V-N 2007/30.15, punt 31 | * Conclusie A-G Scharpston van 14 juni 2007, nr. C-355/06 (Van der Steen), V-N 2007/30.15, punt 31 | ||
| * HvJ EG 18 oktober 2007, nr. C-355/06 (Van der Steen), V-N 2007/48.19 | * HvJ EG 18 oktober 2007, nr. C-355/06 (Van der Steen), V-N 2007/48.19 | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ---- | ||
| + | |||
| + | |||
| + | * [[https:// | ||
| + | |||
| + | |||
| + | ---- | ||
| + | |||
| ====4. Literatuur==== | ====4. Literatuur==== | ||
beginselen/economische_realiteit.1628085980.txt.gz · Last modified: by avdoesum
