Site Tools


belastbare_handeling:combinaties_van_prestaties

Differences

This shows you the differences between two versions of the page.

Link to this comparison view

Both sides previous revisionPrevious revision
Next revision
Previous revision
belastbare_handeling:combinaties_van_prestaties [2024/04/19 09:25] – [-1.2 Hoofdregel en 2 uitzonderingen] avdoesumbelastbare_handeling:combinaties_van_prestaties [2026/03/13 14:12] (current) avdoesum
Line 21: Line 21:
   * KPC Herning \\ 2 partijen kun je niet één prestatie hebben   * KPC Herning \\ 2 partijen kun je niet één prestatie hebben
   * Mydibel \\ 2 partijen die over en weer presteren verrichten één prestatie (sale & lease back)   * Mydibel \\ 2 partijen die over en weer presteren verrichten één prestatie (sale & lease back)
 +  * [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:863|HR 14 juni 2024, nr. 24\00084]] \\ Niet mogelijk om 1 prestatie te zien bij 2 presteerders aan 2 afnemers
  
 Je zou kunnen zeggen dat er 3 'varianten' zijn Je zou kunnen zeggen dat er 3 'varianten' zijn
Line 28: Line 29:
  
  
-Uitzoeken: Sebrenany en RAIFFEISEN LEASING+---- 
 + 
 +Uitzoeken: \\ Sebrenany en RAIFFEISEN LEASING 
 + 
 +---- 
 + 
 +Uitzoeken: \\ Frank Kunduz - financiering factor / garantstelling \\ 
 +samengestelde prestatie aan 2 afnemers \\ 
 +finanicering = hoofd \\ 
 +garantie wordt geabsorbeerd
  
 ---- ----
Line 41: Line 51:
 ---- ----
  
-==-1.2 Hoofdregel en 2 uitzonderingen===+===1.2 Hoofdregel en 2 uitzonderingen===
  
-  * [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62019CJ0231|Blackrock]] \\ HvJ 2 juli 2020, Zaak C-231/19, Blackrock Investment Management (UK) Ltd tegen Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs, ECLI:EU:C:2020:513, V-N 2020/44.9, r.o. 28 \\ **28** In de eerste plaats dient onder de aandacht te worden gebracht dat het begrip „één enkele prestatie” in de rechtspraak van het Hof twee typen situaties kan betreffen, zoals de advocaat-generaal in +  * [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62019CJ0231|Blackrock]] \\ HvJ 2 juli 2020, Zaak C-231/19, Blackrock Investment Management (UK) Ltd tegen Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs, ECLI:EU:C:2020:513, V-N 2020/44.9, r.o. 28 \\ **28** In de eerste plaats dient onder de aandacht te worden gebracht dat het begrip „één enkele prestatie” in de rechtspraak van het Hof twee typen situaties kan betreffen, zoals de advocaat-generaal in punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt
-punt 42 van zijn conclusie heeft opgemerkt+
  
  
 ---- ----
  
 +===1.3 Een presteerder, 2 afnemers, géén eenheid van prestatie===
  
 +  * [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2025:1326|HR 3 oktober 2025, nr. 22/00859, ECLI:NL:HR:2025:1326]] \\ **4.2.4** BTW-richtlijn 2006 voorziet niet erin dat een op grond van een rechtsbetrekking tussen een ondernemer en diens afnemer te verrichten dienst enerzijds en een op grond van een andere rechtsbetrekking tussen diezelfde ondernemer en een andere afnemer te verrichten dienst anderzijds, tezamen als één dienst worden aangemerkt. Het is ook niet verenigbaar met de in BTW-richtlijn 2006 neergelegde systematiek om in zo’n geval één dienst aan te nemen. Op grond van artikel 2 van BTW-richtlijn 2006 moet, zoals hiervoor in 4.2.2 is vooropgesteld, elke prestatie in de regel als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd, en op grond van artikel 9 van die richtlijn moet als belastingplichtige worden beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. De functionaliteit en de uitvoerbaarheid van de btw zouden in gevaar komen wanneer prestaties die de belastingplichtige jegens verschillende afnemers verricht tezamen als één ondeelbare economische prestatie zouden worden aangemerkt.//6//
 +
 +//6. Vgl. voor dit een en ander HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:863, rechtsoverweging 5.4.//
 +
 +
 +----
 +
 +
 +===1.4 Twee presteerders, 1 afnemer, géén eenheid van prestatie===
 +
 +  * [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62024CC0234|Brose Prievidza, conclusie Kokott]] \\ **48**. Wanneer twee prestaties inhoudelijk een zekere mate van overeenstemming vertonen, maar door twee verschillende belastingplichtigen worden verricht, kan dit slechts in zeer uitzonderlijke gevallen als één enkele handeling worden behandeld, namelijk wanneer de opsplitsing van een handeling in twee zelfstandige delen kunstmatig was.(22)\\ **49**. Derhalve kan in principe geen sprake zijn van een onzelfstandige nevenprestatie of één enkele samengestelde prestatie wanneer deze prestatie door verschillende personen wordt geleverd. Dit kan echter anders komen te liggen wanneer een handeling door de eigenlijke dienstverrichter kunstmatig wordt opgesplitst tussen twee belastingplichtigen waarover hij zeggenschap heeft. Zoals ik hiervoor in punten 26 e.v. heb uiteengezet, is daarvan in casu geen sprake. Dienovereenkomstig spreekt het Hof altijd van de belastingplichtige (dat wil zeggen één belastingplichtige) die meerdere prestaties levert(23), die hetzij afzonderlijk hetzij als één enkele prestatie moeten worden behandeld.
 +
 +
 +----
 +
 +
 +===1.5 Twee presteerders, 2 afnemers: géén eenheid van prestatie===
 +
 +  * [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2024:863|HR 14 juni 2024, nr. 24/00084, ecli:NL:HR:2024:863]] \\ **5.4** De hiervoor in 5.3 bedoelde rechtsvraag is, zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, niet door het Hof van Justitie beantwoord. Naar het oordeel van de Hoge Raad is raadpleging van het Hof van Justitie over deze kwestie ook niet nodig omdat het niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat BTWrichtlijn 2006 niet erin voorziet dat een op grond van een rechtsbetrekking tussen een ondernemer en diens afnemer te verrichten dienst enerzijds en een op grond van een andere rechtsbetrekking tussen een andere ondernemer en een andere afnemer te verrichten dienst anderzijds, tezamen als één dienst worden aangemerkt, en het ook niet verenigbaar is met de in BTW-richtlijn 2006 neergelegde systematiek om in zon geval één dienst aan te nemen. Anders dan belanghebbende betoogt, is de omstandigheid dat een van de afnemers tevens een van de dienstverrichters is, niet van belang. \\ Op grond van artikel 2 van BTW-richtlijn 2006 moet elke prestatie in de regel als onderscheiden en zelfstandig worden beschouwd en op grond van artikel 9 van die richtlijn moet als belastingplichtige worden beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.6 De functionaliteit en de uitvoerbaarheid van de btw zouden in gevaar komen wanneer prestaties die verschillende belastingplichtigen elk voor zich aan verschillende afnemers verrichten tezamen als één ondeelbare economische prestatie zouden worden aangemerkt. Anders dan belanghebbende betoogt, doet hieraan niet af dat Unierechtelijke en/of nationale bepalingen, zoals de hiervoor in 3.2 vermelde regelgeving, ertoe verplichten dat bepaalde prestaties door verschillende natuurlijke personen dan wel rechtspersonen worden verricht.
 +
 +
 +----
 +
 +  * Brose Prievidza, spol. s r. o., C‑234/24 \\  **57** Ten eerste volstaat het feit dat verschillende leveringen van identieke goederen, in casu de onderdelen, tussen dezelfde ondernemingen hebben plaatsgevonden, echter niet om te kunnen oordelen dat deze leveringen op zichzelf en los van de levering van de litigieuze apparatuur als één enkele handeling moeten worden beschouwd. Het feit dat deze leveringen identieke goederen betreffen, betekent immers niet automatisch dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn om die uit elkaar te halen. \\ **58**      Dit geldt des te meer wanneer twee onafhankelijke dienstverrichters twee verschillende goederen leveren, in casu de litigieuze apparatuur en de onderdelen. Zoals de advocaat-generaal in de punten 46 en 47 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, __lijkt het in de ogen van een gemiddelde consument immers volstrekt logisch om leveringen door twee onafhankelijke dienstverrichters afzonderlijk te behandelen__.\\  **59**      Zoals in de punten 50 en 51 van het onderhavige arrest reeds is opgemerkt, betekent het feit dat er tussen de handelingen een bepaald verband bestaat – omdat de litigieuze apparatuur noodzakelijk is voor de vervaardiging van de onderdelen – bovendien niet dat zij als één enkele handeling, en dus evenmin als ondeelbare prestaties moeten worden beschouwd. \\ **60**      __Bij wijze van uitzondering kunnen twee prestaties van twee onafhankelijke dienstverrichters wel als één enkele samengestelde prestatie worden beschouwd__. __Dit is het geval wanneer vaststaat dat deze prestaties kunstmatig zijn opgesplitst__. \\ **61**      Het Hof heeft een dergelijke situatie in aanmerking genomen in het arrest van 21 februari 2008, Part Service (C‑425/06, EU:C:2008:108). Zoals de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissing preciseert, heeft hij zich gebaseerd op de punten 56 en 57 van dat arrest, waarin het Hof heeft gewezen op de kenmerken van de handelingen die aan de orde waren in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, om te oordelen dat de leveringen van respectievelijk de onderdelen en de litigieuze apparatuur moesten worden geacht één enkele prestatie te vormen waarvoor dezelfde fiscale regeling moest gelden. \\ **62**      Uit de aanwijzingen in de punten 56 en 57 van het arrest van 21 februari 2008, Part Service (C‑425/06, EU:C:2008:108), kan echter niet worden afgeleid dat leveringen als die in het hoofdgeding kunstmatig zijn afgesplitst, aangezien geen van de kenmerken van de door het Hof in dat verband beschreven handelingen vergelijkbaar is met die van deze leveringen. \\ **63**      Anders dan in een juridische situatie als die in het hoofdgeding, waren de twee ondernemingen die diensten verrichtten voor dezelfde klant in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, namelijk met elkaar verbonden omdat zij deel uitmaakten van dezelfde groep. Bovendien vinden leveringen als in het hoofdgeding hun oorsprong niet in een bewuste opsplitsing van de prestatie van een leverancier, maar in afzonderlijke overeenkomsten met twee onafhankelijke dienstverrichters. Deze leveringen volgen afzonderlijk beschouwd dan ook een eigen economische logica. Voorts heeft de verwijzende rechter in casu geoordeeld dat noch is gesteld, noch is bewezen dat de onderneming waaraan de verschillende leveringen waren gericht, namelijk Brose Prievidza, een ongerechtvaardigd belastingvoordeel probeerde te verkrijgen door een verschillende fiscale behandeling van de betrokken leveringen, terwijl het Hof er in de punten 58 tot en met 62 van het arrest van 21 februari 2008, Part Service (C‑425/06, EU:C:2008:108), in essentie op heeft gewezen dat dit element essentieel is om handelingen aan te merken als zijnde kunstmatig opgesplitst. \\ **64**      Overigens kan het feit dat apparatuur niet bestemd is voor de vervaardiging van een enkel stuk of een enkele partij stukken, noch om in de onderdelen te worden ingebouwd, maar om te worden gebruikt voor de serieproductie van die stukken of onderdelen, een bijdrage vormen aan het bewijs dat de levering van die apparatuur niet zo nauw verbonden is met een specifieke levering van stukken dat zij moet worden geacht objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie te vormen met die specifieke levering van onderdelen.
 +
 +===1.6 Praktische aanpak Ierland===
 +
 +  * [[https://www.revenue.ie/en/vat/vat-on-services/two-thirds-rule/index.aspx|Ierland]]
 +
 +
 +----
 +
 +===1.7 Onderlinge samenhang prestaties vereist wederkerigheid voor ondeelbaarheid===
 +
 +  * [[https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=303000&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=10549517|Határ Diszkont Kft, C-427/23]] \\ **46.** In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat er weliswaar een zekere onderlinge samenhang bestaat tussen de dienst van de administratieve afhandeling van de btw-teruggaaf en de overeenkomstige vrijgestelde goederenlevering, aangezien deze dienst alleen kan worden verricht indien die levering plaatsvindt, maar dat het Hof reeds heeft vastgesteld dat een dergelijk verband op zich niet volstaat om te bepalen of er voor de toepassing van de btw kan worden gesproken van één enkele samengestelde prestatie (zie in die zin arrest van 9 maart 2023, Generali Seguros, C-42/22, EU:C:2023:183, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). \\ **47.** Om meerdere door de belastingplichtige geleverde elementen of handelingen als één enkele prestatie te kunnen beschouwen in de zin van de in punt 39 hierboven aangehaalde rechtspraak van het Hof, __moet het onlosmakelijke verband tussen deze elementen of handelingen namelijk noodzakelijkerwijs wederkerig zijn__, zodat het ene element of de ene handeling afhangt van het andere element of de andere handeling, en omgekeerd. In het onderhavige geval hangt de goederenlevering, die plaatsvindt voordat de administratieve afhandeling van de btw-teruggaaf is voltooid, echter geenszins af van deze dienst. 
 +
 +
 +----
 + 
  
 ====Regelgeving==== ====Regelgeving====
Line 58: Line 107:
 ====Jurisprudentie==== ====Jurisprudentie====
  
 +  * HR 13 maart 2026, nr. 23/04337, [[https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:280|ECLI:NL:HR:2026:280]] (Pauzedrankjes)
 +  * [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:62024CJ0409|J-GmbH e.a. tegen Finanzamt K e.a. - Hotel en bijkomende prestaties]] \\ HvJ 5 maart 2026, Gevoegde zaken C-409/24–C-411/24, J-GmbH e.a. tegen Finanzamt K e.a., ECLI:EU:C:2026:149 \\ **61** Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat wanneer een lidstaat met inachtneming van het beginsel van fiscale neutraliteit gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsvrijheid en concrete en specifieke aspecten van een in bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking heeft genomen, **__niet hoeft te worden onderzocht of de aldus afzonderlijk in aanmerking genomen prestaties en de nevenprestaties daarbij uit het oogpunt van de gemiddelde consument moeten worden beschouwd als één enkele handeling__**, aangezien die laatste omstandigheid niet van doorslaggevend belang is voor de uitoefening door de lidstaten van de hun bij deze richtlijn geboden beoordelingsvrijheid inzake de selectieve toepassing van het verlaagde btw-tarief op basis van algemene en objectieve criteria (zie in die zin arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk, C‑94/09, EU:C:2010:253, punten 33 en 34). \\ **62** Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de arresten van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), en 4 mei 2023, Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines) (C‑516/21, EU:C:2023:372), waaraan de verwijzende rechter in zijn verwijzingsbeslissingen refereert. \\ **63** Het Hof heeft weliswaar in punt 36 van het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), geoordeeld dat één enkele prestatie moet worden belast tegen het enkele btw-tarief dat voor die prestatie geldt en dat wordt bepaald aan de hand van het hoofdelement ervan, maar in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, had de betrokken lidstaat geen gebruik gemaakt van de bij de btw-richtlijn verleende beoordelingsvrijheid om concrete en specifieke aspecten van de betrokken categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking te nemen met het oog op de toepassing van het verlaagde btw-tarief. In die omstandigheden was het Hof van oordeel dat moest worden onderzocht of de in die zaak aan de orde zijnde prestaties uit het oogpunt van de gemiddelde consument één enkele prestatie vormden wanneer geen gebruik was gemaakt van deze beoordelingsvrijheid. \\ **64** Bovendien heeft het Hof in punt 34 van het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), in herinnering gebracht dat, om te bepalen of de selectieve toepassing van een verlaagd btw-tarief in overeenstemming is met artikel 96 en artikel 99, lid 1, van de btw-richtlijn, de vraag of een handeling die uit meerdere elementen bestaat, moet worden beschouwd als één enkele prestatie, niet van doorslaggevend belang was voor de uitoefening door de lidstaten van de hun bij deze richtlijn geboden beoordelingsvrijheid inzake de toepassing van het verlaagde btw-tarief. In punt 35 van dat arrest heeft het Hof tevens benadrukt dat de vraag die aan het Hof was gesteld, namelijk of één enkele prestatie die uit twee afzonderlijke elementen bestaat, waarvan het ene het hoofdelement en het andere het bijkomende element vormt, moet worden onderworpen aan het enkele btw-tarief dat voor het hoofdelement geldt, een ander probleem was dan dat van de omvang van die beoordelingsvrijheid, dat aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk (C‑94/09, EU:C:2010:253). **65**      In dat opzicht is er geen tegenstrijdigheid tussen het arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam (C‑463/16, EU:C:2018:22), en het arrest van 6 mei 2010, Commissie/Frankrijk (C‑94/09, EU:C:2010:253), die betrekking hebben op twee verschillende hypothesen. In de eerste hypothese gaat het over de vraag of nevenprestaties bij een hoofdprestatie moeten worden onderworpen aan het normale btw-tarief dat op deze hoofdprestatie van toepassing is wanneer de betrokken lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 98 van de btw-richtlijn verleende beoordelingsvrijheid, die hem de mogelijkheid biedt om concrete en specifieke aspecten van een in bijlage III bij deze richtlijn genoemde categorie van diensten afzonderlijk in aanmerking te nemen. In de tweede hypothese gaat het over een situatie waarin de betrokken lidstaat van deze beoordelingsvrijheid gebruik heeft gemaakt. \\ **66** Wat betreft de zaak die heeft geleid tot het arrest van 4 mei 2023, Finanzamt X (Blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines) (C‑516/21, EU:C:2023:372), volstaat het op te merken dat deze, anders dan de onderhavige zaken, niet ging over de selectieve toepassing van een verlaagd btw-tarief op een in bijlage III bij de btw-richtlijn genoemde categorie van diensten, maar over de uitlegging van artikel 135, lid 1, onder l), en artikel 135, lid 2, eerste alinea, onder c), van deze richtlijn, die respectievelijk betrekking hebben op de vrijgestelde verhuur en verpachting van onroerende goederen en op de handelingen die van deze vrijstelling zijn uitgesloten. In die zaak diende het Hof zich dus uit te spreken over de btw-vrijstellingen en de uitzonderingen daarop, zoals voorzien in de btw-richtlijn zelf, en niet, zoals in de onderhavige zaken, over de omvang van de door deze richtlijn aan de lidstaten verleende beoordelingsvrijheid inzake de selectieve toepassing van het verlaagde btw-tarief.
 +
 +----
  
 ===Economisch 1 geheel --> geen verlaagd tarief mogelijk=== ===Economisch 1 geheel --> geen verlaagd tarief mogelijk===
Line 79: Line 132:
  
 ---- ----
 +
 +  * [[https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/HTML/?uri=CELEX:62021CJ0516|Finanzamt X v Y. (Letting of permanently installed equipment and machinery)]] \\ CJEU 4 May 2023, Case C-516/21, Finanzamt X v Y., ECLI:EU:C:2023:372 \\ **36.** Deze beginselen doen evenwel niet af aan de rechtspraak volgens welke de verschillende prestaties van één enkele economische prestatie moeten worden onderworpen aan een en hetzelfde btwregime. Het Hof heeft immers geoordeeld dat indien de lidstaten de verschillende elementen van één enkele prestatie zouden mogen onderwerpen aan verschillende btw-tarieven, dit erop zou neerkomen dat zij die prestatie kunstmatig mogen opsplitsen en dat de functionaliteit van het btwstelsel in het gedrang komt (zie in die zin arrest van 18 januari 2018, Stadion Amsterdam, C-463/16, EU:C:2018:22, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
 ===Parkeren=== ===Parkeren===
  
Line 164: Line 219:
  
 “3.2.3 Voor een ondernemer die tegen een afzonderlijke vergoeding bezoekers parkeergelegenheid aanbiedt op de plaats waar hij tegen vergoeding toegang tot een attractiepark als het onderhavige verleent, geldt het volgende. Omdat binnen een dergelijk attractiepark het beschikken over een auto voor bezoekers geen rol speelt, moet het uitgangspunt zijn (i) dat de ondernemer met het tegen vergoeding bieden van parkeergelegenheid in de nabijheid van de ingang van het park een ander economisch doel heeft dan het economische doel dat hij voor ogen heeft met het tegen vergoeding geven van toegang tot dat park, en (ii) dat de gemiddelde bezoeker van zo’n attractiepark een afzonderlijk belang heeft bij een door die ondernemer tegen een afzonderlijke vergoeding aangeboden parkeerdienst. Aan dit een en ander doet niet af dat er voor de ondernemer een economisch verband bestaat tussen het verlenen van toegang tot het park en het bieden van parkeergelegenheid. “3.2.3 Voor een ondernemer die tegen een afzonderlijke vergoeding bezoekers parkeergelegenheid aanbiedt op de plaats waar hij tegen vergoeding toegang tot een attractiepark als het onderhavige verleent, geldt het volgende. Omdat binnen een dergelijk attractiepark het beschikken over een auto voor bezoekers geen rol speelt, moet het uitgangspunt zijn (i) dat de ondernemer met het tegen vergoeding bieden van parkeergelegenheid in de nabijheid van de ingang van het park een ander economisch doel heeft dan het economische doel dat hij voor ogen heeft met het tegen vergoeding geven van toegang tot dat park, en (ii) dat de gemiddelde bezoeker van zo’n attractiepark een afzonderlijk belang heeft bij een door die ondernemer tegen een afzonderlijke vergoeding aangeboden parkeerdienst. Aan dit een en ander doet niet af dat er voor de ondernemer een economisch verband bestaat tussen het verlenen van toegang tot het park en het bieden van parkeergelegenheid.
 +
 +
 +----
 +
 +
 +===Mixerstructuur===
 +
 +  * Kostenmixerstructuur \\ HR 24 september 2004, nr. 39 537, BNB 2006/163,  FED 2004/652. Zie ook WFR 2008/279
 +
 +
 +----
 +
  
 ===Literatuur=== ===Literatuur===
belastbare_handeling/combinaties_van_prestaties.1713511556.txt.gz · Last modified: by avdoesum