Gelieerdheid van belang bij Kvgr. paragraaf 2.1.5 E.M. Vrouwenvelder, Wel de lusten, niet de lasten? Dat lijkt (ook?) in de BTW niet mogelijk! Een overzicht van de BTW-jurisprudentie inzake kosten voor gemene rekening, WFR 1996/1144 (àWFR 1996/6208, p. 1144-1151).
Conclusie heerma: Voorts, zoals ook de Commissie stelt, heeft elke natuurlijke persoon het recht om vennootschappen of rechtspersonen op te richten en belet niets deze natuurlijke personen, aan deze vennootschappen of rechtspersonen belaste goederen te leveren of belaste diensten te verrichten en tegelijkertijd te worden aangemerkt als BTW-plichtige. Deze constatering vloeit indirect ook voort uit het arrest Skripalle(31), waarin het Hof, oordelende dat de tussen familieleden of tussen verwante personen bestaande banden niet volstaan om belastingfraude of -ontwijking aan te nemen, a fortiori lijkt te aanvaarden, dat dergelijke relaties in beginsel relevant kunnen zijn voor de BTW.
Op het beroep in cassatie overwoog de Hoge Raad: Het hof heeft overwogen: dat niet kan worden gezegd dat de CV in zodanige mate afhankelijk is van de gemeente dat haar geen ruimte toekomt voor een handelen naar eigen inzicht en zij derhalve voor het ondernemerschap de vereiste zelfstandigheid mist; dat evenmin kan worden gezegd dat de CV in het licht van art. 4, eerste lid, Zesde richtlijn zelfstandigheid in de hierbedoelde zin mist; en dat de CV, die als commanditaire vennootschap een afzonderlijke rechtsfiguur is die op eigen naam aan het economische verkeer kan deelnemen, met de verhuur van een onroerende zaak aan de gemeente een dienst verricht in het economische verkeer. Op grond van deze overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de CV is aan te merken als ondernemer ex art. 7 van de wet. Het betoog dat het hof er te weinig aandacht aan heeft geschonken dat de rol en positie van de CV wat betreft de werkzaamheden rond het gemeentehuis in essentie samenvallen met die van de gemeente, zodat niet van handelingen verricht in het economische verkeer en derhalve niet van zelfstandig ondernemerschap sprake kan zijn, faalt. Niet van belang is of de afnemer van de prestatie op enigerlei wijze is gelieerd aan de exploitant. Voldoende is derhalve dat i.c. het gemeentehuis wordt verhuurd, hetgeen naar zijn aard een handeling in het economische verkeer inhoudt. Nu aan deze voorwaarde is voldaan, dient de CV zijnde de verhuurster te worden aangemerkt als ondernemer ex art. 7, tweede lid, onderdeel b, van de wet. HR 22 december 1993, nr. 29 317, BNB 1994/71.