1. Algemeen uitgangspunt: forfaitaire vergoeding van € 500 per halfjaar overschrijding
De Hoge Raad hanteert sinds het overzichtsarrest van 19 februari 2016 als vaste regel dat bij overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken, behoudens bijzondere omstandigheden, wordt aangenomen dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De vergoeding wordt forfaitair vastgesteld op € 500 per halfjaar (of gedeelte daarvan) waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit tarief geldt als uitgangspunt en is bedoeld om een praktische en voorspelbare regeling te bieden, zonder dat telkens de omvang van de immateriële schade moet worden bewezen.
2. Bijzondere omstandigheden: verhoging van de bagatelgrens naar € 1.000 en termijn van 12 maanden
In het arrest van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853) heeft de Hoge Raad een belangrijke aanpassing doorgevoerd in de toepassing van de forfaitaire vergoeding. Voorheen gold een bagatelgrens van € 15 als financieel belang waaronder geen vergoeding werd toegekend. Deze grens is verhoogd naar € 1.000. Dit betekent dat wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, de rechter kan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder dat een geldelijke vergoeding hoeft te worden toegekend. Dit is een belangrijke aanscherping die de toepassing van de IMSV-regeling beperkt bij geringe financiële belangen en korte termijnoverschrijdingen.
3. Geen maximering van de vergoeding aan het pleitbare financiële belang
De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 juni 2024 tevens bevestigd dat de vergoeding van immateriële schade niet gemaximeerd is op het pleitbare financiële belang bij de procedure. Dit betekent dat ook in zaken met een relatief laag financieel belang een volledige forfaitaire vergoeding van € 500 per halfjaar kan worden toegekend, mits de overschrijding langer dan twaalf maanden duurt. Eveneens geldt dat in zaken die een bepaalde belasting, heffing of beschikking betreffen (zoals WOZ-beschikkingen), geen beperking geldt tot een lager tarief van bijvoorbeeld € 50 per halfjaar, tenzij de wet dat uitdrukkelijk bepaalt. Deze uitspraak voorkomt dat de vergoeding kunstmatig wordt beperkt en versterkt de rechtsbescherming van belastingplichtigen.
4. Overgangsrecht
De Hoge Raad heeft in ECLI:NL:HR:2024:853 ook een overgangsregeling geformuleerd. Verzoeken om immateriële schadevergoeding die vóór 14 juni 2024 zijn ingediend en waarbij de redelijke termijn op die datum al was overschreden, worden nog behandeld volgens de oude norm (met de bagatelgrens van € 15). Dit waarborgt rechtszekerheid en voorkomt dat lopende zaken door de nieuwe regels worden benadeeld. Dit overgangsrecht geldt ook voor de verschillende fasen van de belastingprocedure (bezwaar, beroep, hoger beroep, cassatie) waarin de termijnoverschrijding zich voordoet.
5. Geen belemmering door no cure no pay of uitbetaling aan rechtsbijstandverlener
De Hoge Raad heeft bevestigd dat het bestaan van een no cure no pay-overeenkomst tussen de belanghebbende en zijn gemachtigde, of de afspraak dat de vergoeding van immateriële schade aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald, niet in de weg staat aan toekenning van de vergoeding aan de belanghebbende zelf. Dit is van belang omdat het voorkomt dat dergelijke afspraken de vergoeding uitsluiten, terwijl de immateriële schade (spanning en frustratie) bij de belanghebbende zelf blijft bestaan.
6. Toepassing en belang van de rechtspraak
De rechtspraak van de Hoge Raad over immateriële schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken is van groot belang omdat zij:
Samenvatting van de kernregels uit de Hoge Raad-rechtspraak (vooral ECLI:NL:HR:2024:853):