aftrek:factuur
This is an old revision of the document!
Table of Contents
Factuur
1. Aantekeningen
1.1 Materiele voorwaarden aftrekrecht
- Senatex
HvJ 15 september 2016, Zaak C-518/14, Senatex GmbH tegen Finanzamt Hannover-Nord, ECLI:EU:C:2016:691, V-N 2016/47.16
28 Krachtens artikel 167 van richtlijn 2006/112 ontstaat het recht op aftrek op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. De materiële voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat dit recht ontstaat, zijn opgesomd in artikel 168, onder a), van die richtlijn. De betrokkene kan het recht op aftrek dus slechts genieten indien, ten eerste, hij een belastingplichtige is in de zin van deze richtlijn en, ten tweede, de goederen of diensten waarvoor aanspraak op dat recht wordt gemaakt, door de belastingplichtige in een later stadium zijn gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en in een eerder stadium door een andere belastingplichtige zijn geleverd of verricht (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, PPUH Stehcemp, C‑277/14, EU:C:2015:719, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
1.2 Formele voorwaarden aftrekrecht
- Senatex
HvJ 15 september 2016, Zaak C-518/14, Senatex GmbH tegen Finanzamt Hannover-Nord, ECLI:EU:C:2016:691, V-N 2016/47.16
29 Wat de formele voorwaarden voor het recht op aftrek betreft, volgt uit artikel 178, onder a), van richtlijn 2006/112 dat de uitoefening van dit recht afhankelijk is van het bezit van een overeenkomstig artikel 226 van deze richtlijn opgestelde factuur (zie in die zin arresten van 1 maart 2012, Kopalnia Odkrywkowa Polski Trawertyn P. Granatowicz, M. Wąsiewicz, C‑280/10, EU:C:2012:107, punt 41, en 22 oktober 2015, PPUH Stehcemp, C‑277/14, EU:C:2015:719, punt 29). Ingevolge artikel 226, punt 3, van deze richtlijn moet de factuur met name het btw-identificatienummer vermelden waaronder de belastingplichtige de goederen heeft geleverd of de diensten heeft verricht.
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
3.1 Aftrek zodra aan materiele voorwaarden is voldaan
- Uszodaépítő, C-392/09
39 In dit verband is reeds geoordeeld dat het beginsel van fiscale neutraliteit eist dat de aftrek van de voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden zijn vervuld, zelfs wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele vereisten (arrest van 8 mei 2008, Ecotrade, C‑95/07 en C‑96/07, Jurispr. blz. I‑3457, punt 63). - Senatex
HvJ 15 september 2016, Zaak C-518/14, Senatex GmbH tegen Finanzamt Hannover-Nord, ECLI:EU:C:2016:691, V-N 2016/47.16
28 Krachtens artikel 167 van richtlijn 2006/112 ontstaat het recht op aftrek op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. De materiële voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat dit recht ontstaat, zijn opgesomd in artikel 168, onder a), van die richtlijn. De betrokkene kan het recht op aftrek dus slechts genieten indien, ten eerste, hij een belastingplichtige is in de zin van deze richtlijn en, ten tweede, de goederen of diensten waarvoor aanspraak op dat recht wordt gemaakt, door de belastingplichtige in een later stadium zijn gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en in een eerder stadium door een andere belastingplichtige zijn geleverd of verricht (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, PPUH Stehcemp, C‑277/14, EU:C:2015:719, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
3.2 Vermelding leverancier op factuur is formele voorwaarde aftrekrecht
Ferimet , r.o. 27
Hieruit volgt dat de vermelding van de leverancier op de factuur voor de goederen of diensten waarvoor het recht op btw-aftrek wordt uitgeoefend, een formele voorwaarde vormt voor de uitoefening van dat recht. Zoals de Spaanse en de Tsjechische regering opmerken, behoort de hoedanigheid van belastingplichtige van de leverancier van de goederen of diensten daarentegen tot de materiële voorwaarden ervan
3.3 Bezit correcte factuur is een formele voorwaarde voor aftrekrecht
- Senatex
HvJ 15 september 2016, Zaak C-518/14, Senatex GmbH tegen Finanzamt Hannover-Nord, ECLI:EU:C:2016:691, V-N 2016/47.16
38 In de tweede plaats heeft het Hof geoordeeld dat het fundamentele beginsel van btw- neutraliteit eist dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden (zie in die zin de arresten van 21 oktober 2010, Nidera Handelscompagnie, C‑385/09, EU:C:2010:627, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 1 maart 2012, Kopalnia Odkrywkowa Polski Trawertyn P. Granatowicz, M. Wąsiewicz, C‑280/10, EU:C:2012:107, punt 43). Zoals eraan is herinnerd in punt 29 van het onderhavige arrest, is het bezit van een factuur die de in artikel 226 van richtlijn 2006/112 bedoelde vermeldingen bevat, een formele en geen materiële voorwaarde voor het recht op btw- aftrek.
39 In de derde plaats heeft het Hof in punt 38 van het arrest van 29 april 2004, Terra BaubedarfHandel (C‑152/02, EU:C:2004:268) weliswaar geoordeeld dat het recht op aftrek moet worden uitgeoefend met betrekking tot de aanslagperiode waarin de goederen zijn geleverd of de diensten zijn verricht en waarin de belastingplichtige in het bezit is van de factuur, maar de zaak die tot dat arrest heeft geleid, betrof een onderneming die niet over een factuur beschikte op het moment dat zij het recht op aftrek heeft uitgeoefend, en het Hof heeft zich dus niet over de gevolgen in de tijd van de correctie van een oorspronkelijk opgestelde factuur uitgesproken. Zoals de advocaat-generaal in punt 39 van zijn conclusie heeft opgemerkt, verschilt die zaak van de zaak in het hoofgeding, doordat Senatex in het bezit van de facturen was op het tijdstip van uitoefening van haar recht op btw-aftrek en de voorbelasting had voldaan.
3.3 SC Paper Consult
r. 40-42
3.4 Overeenkomst kan een factuur zijn
- Raiffeisen Leasing
CJEU 29 September 2022, Case C-235/21 Raiffeisen Leasing v Republika Slovenija, ECLI:EU:C:2022:739
Een overeenkomst kan een factuur zijn
41 Aangezien, zoals blijkt uit de in punt 36 van het onderhavige arrest bedoelde rechtspraak en zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 41 en 45 van zijn conclusie, artikel 203 van richtlijn 2006/112 tot doel heeft het gevaar voor verlies van belastinginkomsten weg te nemen, kan dit risico evenwel worden vermeden wanneer de belastingdienst beschikt over de gegevens die nodig zijn om vast te stellen of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op btw-aftrek, ongeacht of de btw is vermeld op een document dat het opschrift „Factuur” draagt, dan wel op een ander document, zoals een door de partijen gesloten overeenkomst.
42 Om als factuur in de zin van artikel 203 van deze richtlijn te kunnen worden erkend, moet een document dus, ten eerste, de btw vermelden en, ten tweede, de informatie bevatten die is bedoeld in de bepalingen van afdeling 4 van hoofdstuk 3, titel XI, van deze richtlijn, met als opschrift „Inhoud van de facturen”, die noodzakelijk is opdat de belastingdienst kan vaststellen of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op btw-aftrek
3.5 Bij verlegging is geen factuur vereist voor aftrekrecht
- Uszodaépítő, C-392/09
37 Wat, anderzijds, de in artikel 178 van richtlijn 2006/112 bedoelde nadere regels voor de uitoefening van het recht op btw-aftrek betreft, moet worden vastgesteld dat, aangezien het hier gaat om een onder artikel 199, lid 1, sub a, van richtlijn 2006/112 vallende verleggingsregeling, enkel de in artikel 178, sub f, bedoelde nadere regels van toepassing zijn. Bijgevolg behoeft een belastingplichtige die als ontvanger van diensten tot voldoening van de btw daarover gehouden is, niet een in overeenstemming met de formele voorwaarden van richtlijn 2006/112 opgestelde factuur te bezitten om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen en moet hij enkel de door de betrokken lidstaat voorgeschreven formaliteiten vervullen bij de uitoefening van de mogelijkheid die artikel 178, sub f, van deze richtlijn hem biedt (zie in die zin arrest van 1 april 2004, Bockemühl, C‑90/02, Jurispr. blz. I‑3303, punt 47).
3.6 Bewijslastverdeling aftrekrecht: uitgangspunt = factuur
- HR 29 september 2017, nr. 15/04099, ECLI:NL:HR:2017:2461
2.5.2 Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op degene, die vorenbedoeld recht op aftrek wil uitoefenen, rust in beginsel de last te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan, waaronder de voorwaarde dat de in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met het jegens een ander verrichten van een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting.
2.5.3. Bij de beoordeling of in het kader van het uitoefenen van het recht op aftrek aannemelijk is gemaakt dat en in hoeverre de desbetreffende goederen of diensten zijn gebruikt voor belaste handelingen, volstaat dus niet de vaststelling dat zij zijn gebruikt voor de levering van een goed of voor het verrichten van een dienst onder bezwarende titel, maar is tevens van belang dat die levering of die dienst niet van omzetbelasting is vrijgesteld. In een dergelijk geval komt geen betekenis toe aan de bewijsregel, neergelegd in het arrest BNB 2002/141, rechtsoverweging 3.2.2, en het arrest BNB 2014/160, rechtsoverweging 3.3.2, dat bij betalingen tussen ondernemers als regel ervan mag worden uitgegaan dat die betalingen de tegenwaarde voor een prestatie vormen.
2.5.4. Het Hof heeft uit het arrest BNB 1989/213 en het arrest Syndicat des producteurs indépendants afgeleid dat doorbelasting van kosten in beginsel een economische activiteit vormt die aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen. Deze opvatting kan echter niet aan deze arresten worden ontleend (vgl. de onderdelen 4.17 en 4.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).
Voor de vaststelling dat sprake is van een belastbare prestatie is vereist dat een handeling onder bezwarende titel wordt verricht.
Daarvoor is niet alleen nodig dat een betaling wordt gedaan, maar ook dat tegenover deze betaling een handelen (of een nalaten) als ondernemer kan worden bepaald.
Met de vaststelling dat belanghebbende met [I] een rechtsbetrekking is aangegaan ingevolge welke kosten aan [I] zijn doorbelast en met het daarop gegronde oordeel dat daarom sprake is van een handeling onder bezwarende titel, heeft het Hof – naar middel I terecht betoogt - het voorgaande miskend. De last te bewijzen dat sprake is van een zodanig handelen of nalaten, rust op degene die terzake aanspraak maakt op aftrek van omzetbelasting. Middel I slaagt derhalve.
4. Literatuur
aftrek/factuur.1731493040.txt.gz · Last modified: by avdoesum
