Site Tools


fictieve_prestaties:fictieve_prestaties

This is an old revision of the document!


Fictieve prestaties

1. Aantekeningen


2. Regelgeving


3. Jurisprudentie

3.1 Relevante jurisprudentie

  • Armbrecht
  • Bakcsi
  • Lennartz
  • Seeling
  • QM, C-288/19

3.2 Fictieve prestatie en vrijstelling

  • Medicom: fictieve dienst is geen verhuur. Idem: Seeling.
  • QM, C-288/19
    38. Een handeling die overeenkomstig artikel 26, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112 wordt gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel, kan immers geen „verhuur van een vervoermiddel” vormen in de zin van artikel 56, lid 2, eerste alinea, van deze richtlijn.
    44 Uit de rechtspraak volgt namelijk dat het begrip verhuur met het oog op de toepassing van artikel 56,lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2006/112 niet naar analogie kan worden uitgelegd door het gelijk testellen met een voordeel in natura, en dat het veronderstelt dat er sprake is van een in geld te betalenhuurprijs (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Medicom en Maison Patrice Alard, C‑210/11 enC‑211/11, EU:C:2013:479, punten 29 en 34).
    45 Aan een dergelijke voorwaarde kan niet worden voldaan indien kosteloos gebruik van een tot hetbedrijf behorend goed zou worden gelijkgesteld met onder bezwarende titel overeenkomstig artikel 26, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112.

3.3 Fictieve prestatie en inhouding op loon

QM, C-288/19
CJEU 20 January 2021, Case C-288/19, QM v Finanzamt Saarbrücken, ECLI:EU:C:2021:32

30 Een dergelijk rechtstreeks verband kan in de betrekkingen tussen een werkgever en zijn werknemer de vorm aannemen van een gedeelte van de bezoldiging in contanten waarvan deze werknemer als tegenprestatie voor een dienst van die werkgever moet afzien (zie in die zin arresten van 16 oktober1997, Fillibeck, C‑258/95, EU:C:1997:491, punten 14 en 15, en 29 juli 2010, Astra Zeneca UK,C‑40/09, EU:C:2010:450, punt 29).

Opinion in QM
Opinion of Advocate General Szpunar of 17 September 2020, Case C‑288/19, QM v Finanzamt Saarbrücken, ECLI:EU:C:2020:736
17. Anders dan de Duitse regering in haar schriftelijke opmerkingen betoogt, volgt uit deze rechtspraak vrij duidelijk dat in de betrekkingen tussen belastingplichtigen en hun personeel een handeling slechts onder bezwarende titel wordt verricht wanneer een werknemer voor een goed of dienst betaalt, hij afstand doet van een deel van zijn loon of een deel van zijn arbeid kan worden beschouwd als tegenprestatie voor het van de werkgever ontvangen goed of de van de werkgever ontvangen dienst.(6) In dit verband is het niet van belang dat de door de werkgever ten gunste van de werknemer verrichte prestatie naar nationaal recht ter zake van de inkomstenbelasting wordt geacht deel uit te maken van het inkomen van de werknemer.(7)

3.4 Aftrek als eis voor fictieve prestatie

QM, C-288/19
CJEU 20 January 2021, Case C-288/19, QM v Finanzamt Saarbrücken, ECLI:EU:C:2021:32

34 Zoals de advocaat-generaal in punt 35 van zijn conclusie heeft verklaard, kan een dienst die bestaat in het gebruik door een belastingplichtige van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, die op grond van artikel 26, lid 1, onder a), van richtlijn 2006/112 niet kan worden gelijkgesteld met een dienst onder bezwarende titel aangezien het goed in kwestie – in tegenstelling tot wat deze bepaling voorschrijft – geen recht op aftrek van de betaalde voorbelasting heeft doen ontstaan, subsidiair niet op grond van artikel 26, lid 1, onder b), van die richtlijn met een dergelijke dienst worden gelijkgesteld, omdat anders afbreuk zou worden gedaan aan de nuttige werking van die voorwaarde betreffende de aftrek van voorbelasting als bedoeld in de eerstgenoemde bepaling.

3.5 Fictieve prestaties correctie op aftrekrecht

HvJ 15 april 2010, nrs. C-538/08 en C-33/09 (X Holding BV en Oracle Nederland BV), BNB 2010/220, r.o. 37

37 Om deze vragen te beantwoorden, zij eraan herinnerd dat het in artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn neergelegde recht op aftrek, als integrerend deel van de btw-regeling, een fundamenteel beginsel van het gemeenschappelijke btw-stelsel is, en in beginsel niet kan worden beperkt (zie arresten van 21 maart 2000, Gabalfrisa e.a., C‑110/98–C‑147/98, Jurispr. blz. I‑1577, punt 43; 8 januari 2002, Metropol en Stadler, C‑409/99, Jurispr. blz. I‑81, punt 42, en 26 mei 2005, Kretztechnik, C‑465/03, Jurispr. blz. I‑4357, punt 33).

3.6 Prestaties om niet

  • HvJ EG 1 april 1982, nr. 89/81 (Hong Kong), BNB 1982/311, r.o. 9 en 10.(Jur. 1982, blz. 1277)
  • HR 1 april 1987, nr. 23 732 (IJ-veren II), BNB 1987/189,
  • HR 17 februari 1988, nr. 24 275 (British Tour operator), BNB 1988/147,
  • HR 14 juni 1989, nr. 25 104 (Stichting Musische vorming), BNB 1989/245,
  • HR 16 juni 1993, nr. 28 619 (Cultureel-Filosofische bibliotheek), BNB 1993/256,
  • HR 25 januari 1995, nr. 29 652 (Radio I), BNB 1995/216,
  • HR 30 augustus 1996, nr. 31 009 (Radio II), BNB 1996/391,
  • HR 15 december 1999, nr. 34 958 (Zeehondencrèche), BNB 2000/128,
  • HR 26 januari 2000, nr. 35 199 (Koninklijk Nederlands Watersport Verbond), V-N 2000/10.25

4. Literatuur

  • D.G. van Vliet, Geen vergoeding, geen ondernemer, WFR 1983/5589, blz. 516
  • A.E. de Moor, 'Het vergoedingsvereiste in de omzetbelasting' in: Van Dijck-bundel, FED, Deventer, 1988

fictieve_prestaties/fictieve_prestaties.1639130633.txt.gz · Last modified: by avdoesum · Currently locked by: 216.73.216.124,172.17.0.1