formeel:schadevergoeding
This is an old revision of the document!
Table of Contents
Schadevergoeding
1. Aantekeningen
- HR 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015/198
Ook als beroep ongegrond is, kan VIS wegens ORT worden toegekend. In dat geval wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten (en wordt het griffierecht teruggegeven - of is dat inmiddels gewijzigd?). - Als ORT meer dan 12 maanden is, kan de Hoge Raad wat betreft de boetes naar bevind van zaken handelen. Zie HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.4.
- Schending van art. 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de boete. Als de boete is vernietigd, wordt die compensatie verleend in de vorm van toekenning van een vis-ort (voor elke opgelegde boete afzonderlijk).
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
- Overzichtsarrest immateriële schadevergoeding termijnoverschrijding
Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (overzichtsarrest immateriële schadevergoeding termijnoverschrijding)
HR heeft sindsdien wijzigingen aangebracht m.b.t. 3.14.1 (Griffierecht) - HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:559
Een verzoek om vergoeding van schade dient onderbouwd te zijn. - Hof Den Bosch, 8 juli 2021, nr. 19/00718, ecli:NL:GHSHE:2021:2127
Daarnaast geeft artikel 8:73a van de Awb (oud) in samenhang met artikel 8:73 Awb (oud) en overgangsrecht de belastingrechter de mogelijkheid tot toekenning van een schadevergoeding bij gegrondheid van het beroep. Het gaat dan om andere schade dan proceskosten of de kosten van bezwaar; artikel 7:15 Awb en artikel 8:75(a) van de Awb vormen een bijzondere regeling (lex specialis) ten opzichte van artikel 8:73(a) van de Awb. 11 Indien een belastingplichtige schade lijdt in de vorm van kosten van bezwaar of proceskosten, is daarom uitsluitend artikel 7:15 Awb respectievelijk artikel 8:75(a) van de Awb - met inbegrip van de forfaitaire regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht - van toepassing. De schadevergoeding van artikel 8:73a van de Awb kent geen forfaitaire beperking. Het hof zal de schade die op grond van artikel 8:73a van de Awb vergoed kan worden hierna aanduiden als ‘overige schade’.
3.17. Een vergoeding van overige schade wordt toegekend als sprake is van een onrechtmatige daad van de inspecteur. De belastingplichtige moet stellen en, bij betwisting, bewijzen dat de inspecteur jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Ook dient hij de omvang van de schade te bewijzen. Er geldt geen forfait.
3.19. De vraag wanneer het verminderen van een belastingaanslag door het bestuursorgaan een onrechtmatige daad oplevert, is door de Hoge Raad beantwoord in zijn arrest van 20 februari 1998, nr. 16 474, NJ 1998/526 (Boeder/Staat). - HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660
Gewicht van de zaak gesteld op 0,5 indien Staat slechts in proceskosten wordt veroordeeld omdat sprake is van VIS bij ORT - HR 31 mei 2024, nr. 22/00849, ECLI:NL:HR:2024:567 (Beroep op zich ongegrond, maar wel VIS-ORT, geen vergoeding griffierecht)
7 Vergoeding van griffierecht
7.1.1 Voor gevallen waarin de rechter het beroep, het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, handhaaft de Hoge Raad niet langer zijn rechtspraak op grond waarvan het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende moet worden vergoed8. De heffing van griffierecht vindt plaats vanwege het instellen van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, en voor vergoeding daarvan door het bestuursorgaan bestaat alleen aanleiding indien dat beroep gegrond is en dus terecht is ingesteld, of indien het weliswaar ongegrond is maar is ingesteld als gevolg van een andere tekortkoming van dat bestuursorgaan. De Hoge Raad is thans van oordeel dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht daarom niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. Dit geldt zowel bij verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarop de met ingang van 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 Awb van toepassing is,9 als bij verzoeken om schadevergoeding waarop met overeenkomstige toepassing van het tot 1 juli 2013 geldende artikel 8:73 Awb wordt beslist.
7.1.2 De hiervoor in 7.1.1 weergegeven wijziging geldt niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest is overschreden. Aldus wordt een aanspraak op vergoeding van griffierecht geëerbiedigd die voortvloeit uit een daartoe vóór de datum van dit arrest gedaan verzoek op basis van de toenmalige rechtspraak van de Hoge Raad.
7.2 Aangezien het verzoek van belanghebbende om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure aan de hiervoor in 7.1.2 genoemde voorwaarden voldoet, zal de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) worden opgedragen aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald. - HR 14 juni 2024, nr. 22/04592, ECLI:NL:HR:2024:853 (VIS-ORT - Bagatelgrens EUR 1000 en overgangsrecht)
3.4.1 De Hoge Raad ziet aanleiding tot gedeeltelijke aanpassing van regels uit zijn hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 weergegeven rechtspraak over vergoeding van immateriële schade in gevallen waarin de beslechting van een belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft tot nu toe aangenomen dat de omvang van het financiële belang alleen dan tot gevolg heeft dat geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, wanneer het financiële belang bij een belastingprocedure minder is dan € 15.10
3.4.2 Zoals blijkt uit de conclusie van de Advocaat-Generaal, worden in sterk toenemende mate belastingprocedures over een belang van meer dan € 15 gevoerd in de hoop en verwachting een vergoeding van immateriële schade en een daaraan gekoppelde vergoeding van proceskosten te verkrijgen vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. In deze ontwikkeling ziet de Hoge Raad aanleiding voor een aanpassing van de hoogte van het bedrag van € 15. De Hoge Raad zal in verband daarmee de grens voortaan op een aanzienlijk hoger bedrag dan € 15 stellen.
3.4.3 Voortaan zal de Hoge Raad tot uitgangspunt nemen dat zich een bijzondere omstandigheid als hiervoor in 3.2.1 bedoeld voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure, zoals hiervoor nader beschreven in 3.3.1 tot en met 3.3.5, minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
3.4.4 Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken.11 Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
3.4.5 Met de hiervoor in 3.4.3 weergegeven aanpassing wordt aangesloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad in strafzaken en in belastingzaken waarin een bestuurlijke boete in het geding is, en waarin wordt volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden indien het gaat om een boete die minder dan € 1.000 bedraagt.12 Ook het EHRM verlangt niet dat een financiële compensatie wordt geboden in alle gevallen waarin een overschrijding van de redelijke termijn plaatsvindt. Het EHRM aanvaardt de mogelijkheid dat de lange duur van een procedure in bepaalde gevallen leidt tot geen enkele of slechts zeer geringe immateriële schade, en dat de rechter dan volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.13
3.4.6 Voor het overige handhaaft de Hoge Raad zijn hiervoor in 3.2.1 en 3.2.2 beschreven rechtspraak over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en over de omvang van een dergelijke vergoeding.
Overgangsrecht
3.5 De hiervoor in 3.4.3 en 3.4.4 weergegeven wijzigingen gelden niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest is overschreden. Aldus wordt een aanspraak op vergoeding van immateriële schade geëerbiedigd die op grond van een daartoe vóór de datum van dit arrest gedaan verzoek is verkregen op basis van de toenmalige rechtspraak van de Hoge Raad.
4. Literatuur
formeel/schadevergoeding.1774361213.txt.gz · Last modified: by avdoesum
