This is an old revision of the document!
Table of Contents
Aansprakelijkheid
1. Aantekeningen
2. Regelgeving
3. Jurisprudentie
3.1 Artikel 205 Btw-richtlijn
Conclusie AG Kokott, MC, zaak C-1/21, r.o. 45
45. Artikel 205 van de btw-richtlijn strekt ertoe de schatkist ervan verzekeren dat de belasting over de toegevoegde waarde op doeltreffende wijze wordt geïnd bij degene bij wie dat in de betreffende situatie het meest adequaat kan geschieden, met name wanneer de contractanten zich niet in dezelfde lidstaat bevinden of wanneer de aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen transactie betrekking heeft op handelingen die zodanig specifiek zijn dat een andere dan de in artikel 193 van die richtlijn bedoelde persoon moet worden aangewezen.(15)
(…)
69. Volgens het Hof vormt het in verband met de aansprakelijkheid op grond van artikel 205 van de btw-richtlijn geen beletsel dat deze aansprakelijkheid zich niet alleen uitstrekt tot de belastingschuld, maar ook tot de vertragingsrente van een derde.(22)Ook al heeft volgens de bewoordingen van artikel 205 van de btw-richtlijn de hoofdelijke aansprakelijkheid enkel betrekking op de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde, deze bepaling staat er niet aan in de weg dat de lidstaten voorschrijven dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de betrokken persoon zich uitstrekt tot alle kosten die samenhangen met die belasting. Deze kosten omvatten ook de vertragingsrente die de belastingplichtige verschuldigd is wegens niet-betaling van de belasting over de toegevoegde waarde.(23)
3.2 Prejudiciële vragen bestuurdersaansprakelijkheid
- FTI, C-384/04
- Vlaamse Olie,Maatschappij, C-499/10
- Alti, C-4/20
- MC, C-1/21
3.3 Bestuurdeesaansprakelijkheid
- HR 6 oktober 2023, nr. 21/03566, Prejudiciële vragen bestuurdersaansprakelijkheid, ECLI:NL:HR:2023:1371
5.6.5 Hetgeen hiervoor in 5.6.4 is overwogen, komt erop neer dat een bestuurder alleen in geval van overmacht of als hij te goeder trouw is afgegaan op het advies van een derde die hij voor voldoende deskundig mocht houden, aannemelijk zal kunnen maken dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet op de juiste wijze aan zijn meldingsplicht heeft voldaan. Dit zijn zodanig bijzondere omstandigheden dat moet worden aangenomen dat een bestuurder in de praktijk het vereiste bewijs niet zal kunnen leveren in verreweg de meeste gevallen waarin het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan de meldingsplicht heeft voldaan. Bijgevolg zal de bestuurder hoogst zelden worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs ter weerlegging van het vermoeden dat het aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur is te wijten dat het lichaam zijn belastingschulden niet heeft betaald. Anders dan de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BL0202, rechtsoverweging 5.3, is hij daarom thans van oordeel dat het voor een bestuurder van een lichaam dat niet op de juiste wijze aan zijn meldingsplicht heeft voldaan, in de praktijk uiterst moeilijk is dat tegenbewijs te leveren en aldus te ontkomen aan aansprakelijkheid voor belastingschulden van het lichaam, waaronder omzetbelastingschulden.
